Docenthandleiding DLWO

Aan de slag! (professionele) gespreksvoering

Aangepast op

Introductie

Bij het practicum (professionele) gespreksvoering oefenen studenten met het voeren van (professionele) gesprekken. Dit kan psychologische gespreksvoering zijn, gespreksvoering in de juridische praktijk of dit kunnen algemene vormen van gespreksvoering zijn, zoals adviesvaardigheden. Ook presentatievaardigheden lenen zich voor deze werkvorm. presentatievaardigheden. Studenten oefenen aan de hand van een (fictieve) casus of een eigen uitwerking van een opdracht. Medestudenten en de docent geven feedback op de gespreks- of presentatievaardigheden. Zo kan de student diens vaardigheden naar een hoger niveau tillen. 

Opbrengst

Vanuit Bloom: Deze werkvorm richt zich voornamelijk op het toepassen van gespreks- en presentatietechnieken. De student kan voorafgaand, of gecombineerd met deze werkvorm leren over gespreks- en presentatietechnieken, gespreksmodellen en in welke situaties de student deze toe kan passen. Het daadwerkelijk toepassen van de technieken en modellen zelf komt in deze werkvorm aan bod. Wanneer de studenten elkaar observeren en (goed onderbouwde) feedback geven heeft deze werkvorm ook betrekking op de niveaus analyseren en evalueren van Bloom. Door actief met de gespreks- en presentatietechnieken en gespreksmodellen bezig te zijn zal deze werkvorm er ook voor zorgen dat deze beter begrepen en onthouden worden.  

Daarnaast kan deze werkvorm bijdragen aan het stimuleren van gevoelens van binding tussen studenten onderling en tussen docent en studenten. Tijdens de werkvorm zullen studenten onderling samenwerken en elkaar van feedback voorzien. Ook is de docent aanwezig, waardoor deze zichtbaar is in de cursus.  

Naast dat studenten elkaar observeren en feedback geven zal ook de docent dit doen tijdens het oefenen. Deze werkvorm biedt de docent de mogelijkheid om de student te begeleiden en feedback te geven op het toepassen van gespreks- of presenteervaardigheden.  

Ervaringen uit de OU-praktijk (zie voorbeeld uit de OU-praktijk verderop in deze werkvorm) zijn dat deze werkvorm motiverend kan werken voor studenten. De gespreksvaardigheden zijn zeer relevant voor het werkveld, waardoor studenten het nut van deze werkvorm inzien en gemotiveerd zijn om deel te nemen aan deze werkvorm 

Tot slot kan deze werkvorm een middel zijn voor formatieve toetsing. Door de observant (peer of docent) gericht te laten observeren aan de hand van beoordelingscriteria krijgt de student inzicht in diens niveau met betrekking tot gespreks- of presenteervaardigheden.  

Wat doet de docent?

Voorafgaand aan de werkvorm

  1. De docent selecteert informatie (theorie en mogelijk andere bronnen als video’s) over de gespreks- en / of presentatietechnieken die de studenten zullen gaan oefenen (Welke technieken? Wanneer inzetten? Voor- en nadelen van de technieken) en plaatst deze in de online leeromgeving (Brightspace). De docent vraagt de studenten deze informatie ter voorbereiding door te nemen.  
  2. (optioneel) De docent stelt een voorbereidende opdracht op, gericht op het onthouden en begrijpen van de technieken. Hiervoor kan de docent bijvoorbeeld de volgende werkvormen inzetten: ‘Goed voorbeeld doet volgen’, ’Quiz’ of ‘One minute paper' De docent kan dit ook bij aanvang van het oefenen van de gespreks- en presentatietechnieken doen, bijvoorbeeld door middel van de werkvorm ‘Opfristaak’. 
  3. De docent stelt casussen op die overeenkomen met realistische situaties uit de praktijk en deelt deze casussen met de studenten in de online leeromgeving. De docent geeft daarnaast de instructie aan de studenten om de casussen door te nemen zodat zij de casussen kunnen oefenen in een praktijksimulatie. OF: De docent vraagt student het gesprek of de presentatie op basis van een zelf-ingebrachte casus of uitwerking voor te bereiden aan de hand van de aangeleverde informatie. 
  4. De docent stelt beoordelingscriteria of richtvragen op voor de observanten. Deze criteria of vragen deelt de docent voorafgaand aan de oefening met de studenten via de online leeromgeving.  
  5. De docent geeft studenten de mogelijkheid om vragen over de opdracht, casussen en beoordelingscriteria te stellen (bijvoorbeeld via het Brightspace discussieforum). 
  6. De docent stelt een reflectieopdracht op die de student na afloop van de werkvorm zal maken. In deze opdracht vraagt de docent de student om terug te blikken op de oefening en ontvangen feedback in relatie tot de leerdoelen op het gebied van gespreksvoering of presenteren. De docent biedt (optioneel) een reflectiemodel aan in de opdracht. De docent neemt deze opdracht op in de online leeromgeving en stelt deze beschikbaar na afloop van de oefening (optioneel met release conditions). De docent maakt tevens een instuuropdracht aan zodat studenten de uitwerking van de reflectie in kunnen leveren.  
  7. De docent deelt de studenten in groepen in van drie studenten wanneer het om het oefenen van gespreksvaardigheden gaat (één student oefent de vaardigheid op een medestudent (‘acteur’) en één student observeert) of laat studenten zichzelf inschrijven in een groep (middels Brightspace groepen). Bij presentatievaardigheden kan de groep groter zijn (vier tot vijf studenten). Houd per contactmoment een totale groepsgrootte aan van ongeveer twaalf studenten (vier groepen).  
  8. De docent plant één of meerdere contactmomenten in voor de uitvoering van de werkvorm. Het aantal momenten hangt af van het totaal aantal studenten in de cursus. Zoals bij de vorige stap benoemd is er in één contactmoment plaats voor ongeveer twaalf studenten (vier groepen). Door middel van de inzet van een co-docent of tutor kunnen meerdere bijeenkomsten op één tijdstip plaatsvinden. Advies is om de contactmomenten op verschillende tijdstippen te plannen, zodat rekening kan worden gehouden met andere activiteiten van studenten (werk, privé) (flexibiliteit).

Bij start van het contactmoment

  1. De docent zorgt ervoor dat alle benodigdheden klaarstaan bij aanvang van het contactmoment (denk aan indeling lokaal of virtuele klas). 
  2. De docent besteedt aandacht aan groepsvorming en veiligheid. De docent besteedt ongeveer vijftien minuten aan het kennismaken met elkaar om een sfeer van veiligheid te stimuleren.  
  3. De docent controleert of alle studenten voorbereid zijn op het oefenen met de gespreksvoering. Dit betekent dat studenten ofwel de casussen hebben doorgenomen ofwel een opdrachtuitwerking of eigen casus hebben voorbereid. De docent geeft eventueel voor de ‘acteurs’ nog enkele aandachtspunten mee om de praktijksimulatie zo reëel mogelijk te maken. 
  4. De docent legt uit wat er tijdens het oefenen van de studenten verwacht wordt. In deze uitleg komen (minimaal) de volgende punten terug: 
    1. Rouleren, het aantal rondes en tijdsschema; 
    2. Rollen studenten (‘acteur’, observant(en) en de student die oefent) (deze rollen zijn bij ‘wat doet de student’ uiteengezet). Bij presentatievaardigheden zal er geen ‘acteur’ zijn, maar zullen de medestudenten als publiek/ observant fungeren. De observant dient naast observeren ook op de tijd te letten en een seintje te geven als het tijd is om het gesprek/ de presentatie af te ronden.  
    3. Rol docent tijdens het oefenen;  
  5. (optioneel) De docent activeert de voorkennis over de gespreks- en/ of presentatietechnieken. Bijvoorbeeld door middel van de werkvorm ‘Beginmeting’.  
  6. (optioneel) De docent geeft plenaire uitleg over gespreks- of presentatietechnieken.

Tijdens de werkvorm

  1. De docent rouleert en sluit iedere ronde als observator aan bij één groep.  
  2. De docent bewaakt daarnaast de tijd van de gespreksronde en geeft een seintje enkele minuten voor afronding. De docent geeft de observant de instructie om dit tevens per groep te doen.   
  3. Na afloop van een gespreksronde geeft de docent aan dat er (X) minuten zijn voor het uitwisselen van feedback. De docent deelt ook diens eigen feedback en let wederom op de tijd. Eén minuut voor afloop vraagt de docent de studenten om de feedbackronde af te sluiten.  De docent geeft de observant de instructie om dit tevens per groep te doen.   
  4. (Optioneel) na enkele gespreksrondes geeft de docent veelvoorkomende punten van feedback plenair terug aan de groep zodat studenten dit mee kunnen nemen in het oefenen.  
  5. Is de docent beschikbaar voor vragen (tussen de gespreksrondes door).  

Wat doet de student?

  1. De student bestudeert voorafgaand aan de werkvorm de aangeboden informatiemaakt eventuele voorbereidende opdrachten en bekijkt de beoordelingscriteria of richtvragen. Eventuele vragen stelt de student aan de docent of medestudenten.  
  2. De student bereidt voorafgaand aan de werkvorm de aangeleverde casussen of diens eigen opdrachtuitwerking of zelf meegebrachte casus voor 
  3. (optioneelDe student schrijft zich voorafgaand aan de werkvorm in voor een groep en / of contactmoment.  
  4. Tijdens de werkvorm neemt de student afwisselend een rol in:
    1. Oefenen: De student die oefent zal tijdens de gespreksronde als gespreksleider of presentator oefenen met de gespreks- of presentatievaardigheden.  
    2. De observant: Allereerst observeert de observant de medestudent die oefent aan de hand van de beoordelingscriteria of richtvragen. De observant timed verder tijdens de gespreksronde, geeft een seintje voor afronding en maakt met de student die oefent over de mogelijkheid om een time-out in te lassen als het gesprek vastloopt (voorafgaand aan de gespreksronde). Daarnaast biedt de observant de student die oefent na afloop van de gespreksronde even de ruimte om stoom af te blazen, waarna over wordt gegaan naar het delen van feedback.  
    3. Acteur: de acteur speelt diens casus en houdt rekening met de cues die de docent gegeven heeft. Na afloop van het gesprek deelt de acteur de feedback vanuit diens perspectief.  
  5. Na afloop van de werkvorm schrijft de student een reflectie op diens handelen (reflectieopdracht). De student blikt hierbij terug op diens uitvoering en die van de medestudenten en de gegeven en ontvangen feedback in relatie tot de beoordelingscriteria. De levert de student in middels een Brightspace instuuropdracht.  

Benodigheden

Onsite: lokaal met meerdere tafels, settings en / of ruimtes waar gesprekken of andere vaardigheden gevoerd / geoefend kunnen worden. 

Video-opname apparatuur (Surfilesender)

Variatiemogelijkheden, tips en voorbeelden

  • Video-opname van gesprekVoor de reflectieopdracht kan het nuttig zijn als de student een opname van de oefening kan terugkijken. De docent kan de studenten tijdens het contactmoment de opdracht geven de gesprekken te filmen en deze opname te gebruiken bij de reflectie achteraf. Dit biedt de student de mogelijkheid om diens eigen gedrag (verbaal en non-verbaal) tot in de puntjes te analyseren.  
  • Voorafgaand aan oefenen: werkvorm Fishbow inzettenStudenten kunnen ook observationeel leren van hoe een mede-student een gesprek voert. De werkvorm ‘Fishbowl’ is hiervoor goed in te zetten, aangezien de studenten die in het midden van de groep het gesprek voeren geobserveerd worden door de overige studenten. Bevindingen uit deze observaties worden plenair besproken, alsmede andere opties- voor verbetering, waardoor studenten met en van elkaar leren. Bij deze werkvorm is veiligheid een nog belangrijkere voorwaarde dan bij de reguliere variant.  
  • Voorafgaand aan oefenen: werkvorm Video met focusdoel inzettenTijdens de voorbereiding kunnen studenten observationeel leren van video’s waarin gespreks- of presentatietechnieken-of vaardigheden worden toegepast of gedemonstreerd. Door een focusdoel mee te geven (bijvoorbeeld wat het gevolg is van de inzet van een bepaalde techniek, of wat een persoon in een video precies doet) kunnen studenten gericht observeren en leren.  
  • Voorafgaand aan oefenen: werkvorm Leervragen opstellenDe docent kan de student in de voorbereiding de opdracht geven om leervragen op te stellen voor de oefening en deze mee te nemen naar de sessie. De student kan deze vragen delen met de observanten zodat de observanten gerichte feedback geven op gebieden waar de student leervragen heeft.  
  • Oefening met taboeonderwerphet kan voor de ontwikkeling van de student prettig zijn om in een veilige setting te kunnen oefenen met lastige gespreksthema’s (bijvoorbeeld in de psychologie of juridische gespreksvoering). Wanneer de oefening als focus een ‘lastig’ gespreksthema heeft (bijvoorbeeld het uitvragen van gedachten rondom zelfdoding (psychologie)) kan het voor de student prettig zijn om een voorbereidende opdracht te maken, waarin de student meer leert over dit thema en over passende gespreksvoering bij dit thema. Daarnaast kan het prettig en effectief zijn voor leren om de student ook op dit thema te laten reflecteren zodat de student zich bewust wordt van een (onbewuste) houding ten opzichte van het onderwerp. Ook kan dit de scherpe randjes van het thema afhalen. Daarnaast dient de docent zeker bij een taboeonderwerp studenten bij persoonlijke omstandigheden de ruimte te geven om de oefening wel of niet bij te wonen. De oefening kan dan te gevoelig liggen.

Tip

Aangepaste individuele opdracht: Het is niet voor iedere student mogelijk om aan te sluiten bij het synchrone onderwijsmoment. Biedt deze studenten de mogelijkheid om alsnog te oefenen met de gespreksvoering of presenteren. De student dient de presentatie of het gesprek dan zelf (thuis of op het werk) te oefenen. De student filmt de oefening en levert deze in. Als ‘acteur’ kan een kennis of collega van de student ingezet worden (bij een gesprek aan de hand van de casus dient deze kennis of collega de informatie over de casus van de student te krijgen). De rol van observant (aan de hand van de opname), kan ingenomen worden door de docent en / of een medestudent.  De student maakt vervolgens dezelfde reflectieopdracht als de reguliere studenten en levert deze in.  

(Optioneel): bij meerdere afwezige studenten kunnen deze studenten elkaars video-opname voorzien van peerfeedback naast dat de student deze video’s beoordeeld. Hierdoor wordt deze studenten alsnog de mogelijkheid geboden om observationeel te leren.

Voorbeeld uit de OU-praktijk

Bij de faculteit Psychologie wordt gebruik gemaakt van ‘het practicum over een taboeonderwerp’ waar studenten oefenen met gespreksvoering rondom gedachten over zelfdoding. Wil je meer weten over hoe Jantine Boselie dit met haar collega’s heeft vormgegeven? Neem gerust contact met haar op.

Toegankelijkheid

  • Een belangrijke voorwaarde voor het oefenen van gespreks- en presentatievaardigheden is veiligheid, zeker voor studenten met psychosociale problemen. De docent besteedt hier bij aanvang van de werkvorm aandacht aan, door verwachtingen en gedragsnormen te bespreken. De docent geeft tenminste aan dat het doel is om te oefenen, fouten gemaakt mogen worden en dat wat er tijdens de oefening gebeurt binnen de groep blijft.  
  • De docent biedt structuur aan de studenten die dit nodig hebben door een duidelijk programma te hanteren tijdens de oefening. Het aanbieden van beoordelingscriteria of richtvragen biedt structuur tijdens het observeren en geven van feedback.  
  • Deze werkvorm is auditief en visueel ingesteld en minder geschikt voor studenten met problemen op het gebied van gehoor, spraak en zicht.  

Bron

Jantine Boselie, docent faculteit Psychologie