Docenthandleiding DLWO

Opfristaak

Aangepast op

Introductie

Om voorkennis te activeren kan de docent voorafgaand aan een leertaak, thema of virtuele klas een opfristaak geven die de student uitwerkt (Surma et al., 2019). Het gaat hierbij om het toepassen van kennis en vaardigheden (zoals een procedure). De student ontvangt (automatische) feedback om foutieve kennis te corrigeren en hiaten in de kennis te dichten. De student start hierdoor met de benodigde voorkennis aan het nieuwe onderdeel van de cursus.  

Opbrengst

Deze werkvorm kan bijdragen aan een betere afstemming van het onderwijs op de voorkennis van de studenten. De opfristaak activeert voorkennis uit het langetermijngeheugen. Hierdoor verdiept het begrip van het onderwerp en leert nieuwe informatie beter integreren en begrijpen. Ook geeft dit de student inzicht in diens leerproces, waardoor een ‘’urgetolearn’’ kan ontstaan.  

Wanneer de docent de opfristaak inzet voorafgaand aan een synchroon contactmoment kan dit helpen om de voorkennis van de groep studenten meer gelijk te maken, waardoor de docent binnen het contactmoment minder zal hoeven differentiëren op verschillen in voorkennis.   

Wanneer in de opdracht gebruik wordt gemaakt van een (zelf ingebrachte) authentieke casus, en er dus een betekenisvolle context wordt gecreëerd, kan dit leiden tot studiemotivatie en helpt dit de  student om het reeds geleerde toe te passen in de praktijk (van Oosterzee et al., 2022).

Vanuit Bloom gezien doet deze werkvorm voornamelijk een beroep op de niveaus onthouden en begrijpen. Afhankelijk van het type kennis dat opgehaald wordt (bijvoorbeeld een vaardigheid) kan ook het niveau toepassen relevant zijn.   

Wat doet de docent?

  1. De docent bepaalt welke voorkennis noodzakelijk is om met het volgende onderdeel van de cursus (een taak, leereenheid of virtuele klas) te starten.  
  2. De docent maakt een opdracht (aan de hand van een authentieke casus) waar de student de voorkennis moet toepassen. Denk aan het toepassen van een procedure of een model dat uit meerdere onderdelen of stappen bestaat. 
  3. De docent stelt (automatische) feedback op waar de benodigde voorkennis in opgenomen is. De docent geeft deze feedback handmatig of wel automatisch middels een instuuropdracht in Brightspace. 

Wat doet de student?

  1. De student maakt de opdracht en raadpleegt hierbij zo nodig de eerder aangeboden materialen.  
  2. De student levert de opdracht in.  
  3. De student bekijkt de feedback, reflecteert op het eigen kennisniveau en stelt zo nodig vragen aan de docent. De student heeft voorkennis nu geactiveerd en beschikt nu over de juiste voorkennis.  

Benodigheden

N.v.t.

Variatiemogelijkheden, tips en voorbeelden

  • Start synchroon onderwijsmoment. Deze werkvorm kan de docent aan de student geven ter voorbereiding op een virtuele klas, maar kan tevens een manier zijn om voorkennis gelijk te schakelen bij aanvang van een virtuele klas. Deze opdracht kan individueel of in kleine groepen worden uitgevoerd. De docent kan direct feedback geven en zo eventuele hiaten of fouten in voorkennis herstellen. Door het interactieve karakter van deze werkvorm kan de docent beter inzicht verkrijgen in de voortgang van het leerproces en zullen studenten actief en betrokken aan het werk gaan met de opdracht. 
  • Peerfeedback. Laat studenten elkaars werk van feedback voorzien, in plaats van dat (automatische) docent-feedback gegeven wordt. Dit dwingt studenten om nogmaals hun voorkennis te activeren. Studenten kunnen elkaar middels het discussieforum in Brightspace feedback geven. Een mogelijk nadeel is dat niet alle hiaten in voorkennis opgemerkt worden. 
  • Veelvoorkomende fouten. De docent geeft in de feedback veelvoorkomende fouten terug, naast wat het goede antwoord zou moeten zijn en legt uit wat verkeerd is aan deze toepassing.  
  • Koppeling aan leervragen. De opfristaak kan gecombineerd worden met de werkvorm leervragen. Door het doorlopen van de opfristaak wordt de student gestimuleerd om na te denken over wat de student al wel weet en kan, en wat nog niet. Dit kan leiden tot nieuwe leervragen.  

Tip

Maak bij het opstellen van de opdracht gebruik van multimedia om bijvoorbeeld authentieke casussen op te nemen uit de praktijk. Hiermee maak je het leren voor de student meer relevant, wat motiveert en kan ondersteunen om de koppeling van theorie naar praktijk te maken. 

Toegankelijkheid

  • Geef instructies duidelijk en beknopt en vermijd ingewikkelde zinnen.  
  • Gebruik geen moeilijke woorden of jargon als het niet nodig is. Als je ze moet gebruiken, zorg er dan voor dat je ze uitlegt.  
  • Laat studenten de opdracht / casus uitwerken op een manier die bij hen past (schriftelijk, via video-opname of in audiobericht).   
  • Let erop dat de opdracht voldoende structuur biedt aan studenten. Hierdoor kunnen studenten hun energie richten op de inhoud.  
  • Zorg ervoor dat eventuele media die is opgenomen in de vragen ondertiteld is / er een geschreven alternatief is (transcript) en afbeeldingen voorzien zijn van een alternatieve tekst (Alt-tekst). Zorg ook voor audiodescriptie indien er gebruik wordt gemaakt van video. 

Bronnen

Surma, T., Vanhoyweghen, K., Sluijsmans, D., Camp, C., & Kirschner, P. A. (2019). Wijze lessen. Twaalf bouwstenen voor effectieve didactiek. Ten Brink uitgevers

Van Oosterzee, M., Stoekenbroek, R., Yilmazturk, E., & Heeroma, N. (2022). (rep.). Een verkenning op activerend onderwijs. Heerlen.