Docenthandleiding DLWO

Mindmapping

Aangepast op

Introductie

Aan de hand van een mindmap structureert de student informatie rondom een centraal onderwerp, door connecties tussen begrippen aan te geven. 

Een mindmap heeft meestal een 'radiale' structuur waarbij je vanuit een centraal idee/concept vanuit het midden uitwaaiert naar subconcepten en van daaruit naar sub-sub concepten, etc. Mindmaps zijn flexibel, creatief en geschikt om ideeën te genereren en je gedachten te visualiseren en organiseren. Een mindmap hoeft niet een 'juiste' weergave van een concept te zijn, maar is een persoonlijke of groepsweergave.

Opbrengst

Bij het maken van een mindmap verwerkt de student de theorie actief. Deze actieve verwerking van de informatie draagt bij aan het opbouwen van een coherent cognitief schema en dus het onthouden en begrijpen van de theorie (van Oosterzee et al., 2022). 

Door het maken van een mindmap krijgt de student inzicht in relevante elementen van de theorie, hoofd- en bijzaken binnen de theorie en alsmede connecties tussen elementen (Bloom: analyseren). Dit kan de student een prettig, gestructureerd overzicht bieden van de theorie. Door het schematiseren van de informatie kan de student diens gedachten en kennis beter organiseren, wat bijdraagt aan begripsvorming (Van Oers & Terwel, 2010). 

Door het maken van een mindmap na het bestuderen van de theorie kan de student toetsen in hoeverre deze de theorie begrijpt en onthouden heeft. Op deze manier krijgt de student formatieve feedback over diens vorderingen (Sluijsmans & Segers, 2018).  

Wat doet de docent?

Voorafgaand aan de werkvorm

  1. De docent kiest een (deel)onderwerp uit de theorie.   
  2. De docent stelt eventueel de criteria op waaraan de mindmap moet voldoen, denk bijvoorbeeld aan elementen uit de theorie die terug moeten komen of specifieke connecties tussen elementen. Deze neemt de docent op in de instructie.  
  3. De docent geeft heldere instructie over het maken van een mindmap (wat het is, en hoe de student dit aan kan pakken, welke tools te gebruiken).  
  4. De docent neemt in de cursusomgeving een plaats op waar de student de mindmap kan delen of indienen.  
  5. De docent stelt automatische feedback (een voorbeelduitwerking van een mindmap) in binnen de cursusomgeving zodat de student diens eigen uitwerking kan controleren en eventuele misconcepties kan bijstellen. Deze wordt automatisch vrijgegeven bij een indiening.  
  6. De docent stelt de benodigde theorie (literatuur, artikelen en dergelijke) beschikbaar zodat de student zich kan verdiepen in het onderwerp.  

Tijdens/na afloop van de werkvorm 

  1. Tijdens en na afloop van de werkvorm is de docent beschikbaar voor vragen over de op te stellen mindmap, of over de automatische feedback.

Wat doet de student?

  1. De student verdiept zich in het onderwerp aan de hand van de vooraf beschikbaar gestelde theorie.   
  2. De student ontleedt belangrijke elementen uit de theorie en bepaalt het vertrekpunt (middelpunt) van de mindmap.  
  3. De student neemt overige elementen van het onderwerp op in de mindmap, alsmede de connecties tussen het vertrekpunt van de mindmap en andere elementen. 
  4. (optioneel) De student geeft ook het type relatie aan tussen elementen van het onderwerp.   
  5. De student levert de mindmap in volgens de door de docent aangegeven instructies.  
  6. Na afloop van de werkvorm vergelijkt de student de mindmap met de ontvangen (automatische) feedback, en voert de student eventuele aanpassingen door.  

Benodigheden

N.v.t.

Variatiemogelijkheden, tips en voorbeelden

  • De docent kan de student de opdracht geven een mindmap te maken ter verwerking van theorie, maar kan de werkvorm daarnaast ook inzetten ter activering van voorkennis. De docent geeft dan voorafgaand aan de introductie van nieuwe theorie de student de opdracht om een mindmap te maken van de kennis die een student heeft over dit onderwerp. Door het maken van de mindmap is eventuele voorkennis actief aanwezig in het werkgeheugen en kan nieuwe informatie uit de nieuwe theorie effectief worden opgenomen (van Oosterzee et al., 2022). In een synchrone sessie kan de docent bij aanvang met de gehele groep samen een mindmap maken (op een whiteboard) om voorkennis te activeren.  
  • In plaats van (automatische) docentfeedback kan de docent de student ook de opdracht geven om peerfeedback te geven op de mindmap (bijvoorbeeld middels het Brightspace discussieforum). De docent dient dit proces van peerfeedback te modereren. Hoe je dit doet lees je in de werkvorm ‘peerfeedback organiseren’ 
  • In plaats van een mindmap maken over de theorie kan de docent de student de opdracht geven om bij een project door middel van een mindmap een overzicht te maken van hoofd- en deeltaken. Dit kan de student helpen om de aanpak van een project (bijvoorbeeld een thesis) te structureren en vervolgens faseren.  
  • Laat de student een fysieke mindmap maken. Een foto hiervan kan worden ingeleverd.

Tip

Geef de student een overzicht van tools waarmee de student gemakkelijk een mindmap kan maken. Hierdoor kan de student snel de aandacht richten op de inhoud van de werkvorm.  

Toegankelijkheid

  • Duidelijke criteria kunnen structuur bieden bij het maken van een mindmap. Een student die behoefte heeft aan meer kaders/structuur is hierbij gebaad.  
  • Laat studenten werken met een tool (of fysieke mindmap) die bij hun voorkeuren past.  
  • Deze werkvorm is sterk visueel ingesteld. Voor studenten met problemen met zicht is deze werkvorm minder toepasselijk.  

Bron

Poland, M., van Oers, H. J. M., & Terwel, J. (2010). Effecten van het leren schematiseren van     jonge leerlingen op hun latere prestaties in het reken wiskundeonderwijs. Pedagogische studiën,  87(2), 105-117. 
Sluijsmans, D., & Segers, M. (2018). Toetsrevolutie: Naar een feedbackcultuur in het hoger     onderwijs. Uitgeverij Phronese.   
Van Oosterzee, M., Stoekenbroek, R., Yilmazturk, E., & Heeroma, N. (2022). (rep.). Een     verkenning op activerend onderwijs. Heerlen.