Introductie
Studenten werken een theoretisch model uit aan de hand van een eigen authentieke casus of voorbeeldcasus. Op deze manier onthoudt en begrijp de student het model en wordt tevens de kennis toegepast. Deze werkvorm zet aan tot actieve verwerking van de theorie (Radboud universiteit & Radboud UMC, z.d.).
Opbrengst
Een theoretisch model bestaat uit verschillende onderdelen en uit (onderlinge) verbanden tussen die onderdelen. Doordat de student het model toepast op een (fictieve) authentieke casus, worden de onderdelen en onderlinge verbanden inzichtelijk. Door het werken met een authentieke casus sluit het leren ook beter aan bij de leef- en werkveld van de student en verhoogt het de motivatie (Van Oostzee et al., 2002). Daarnaast kan de student door de toepassing op een casus, de toepasbaarheid van het model beoordelen (Radboud universiteit & Radboud UMC, z.d.). De student is bezig op alle niveaus van Bloom (namelijk begrijpen, toepassen, analyseren en evalueren) leidt dit tot het beter begrijpen en onthouden van de theorie.
De actieve verwerking van de theorie, die gepaard gaat met het uitwerken van het model, draagt bij aan het opbouwen van een coherent cognitief schema. Het inzetten van een (fictieve) authentieke casus zorgt ervoor dat de theorie betekenisvol wordt verwerkt in een concrete situatie. Tot slot draagt deze actieve verwerking in een betekenisvolle context bij aan transfer of learning: het kunnen toepassen van theorie in een andere maar vergelijkbare context of casus.
Tot slot kan de werkvorm worden ingezet vanuit een toetsende functie: door het toepassen van het model krijgt zowel de student als docent inzicht in het beheersingsniveau van de student. De docent kan hierop diens begeleiding eventueel aanpassen.
Wat doet de docent?
- Allereerst identificeert de docent welk theoretisch model uit uit de aangeboden materialen bruikbaar is om toe te passen binnen de werkvorm.
- Daarnaast stelt de docent (fictieve) authentieke casussen op, waar het model op kan worden toegepast. Optioneel stelt de docent ook een voorbeelduitwerking op, dit is met name relevant voor automatische feedback.
- Vervolgens geeft de docent de opdracht aan de student om het model toe te passen op een (fictieve) authentieke casus.
- Tijdens het uitvoeren van de opdracht is de docent beschikbaar voor ondersteuning zoals vragen beantwoorden, het geven van tips en/of alternatieve perspectieven.
- Na afloop van de opdracht krijgt de student persoonlijke feedback van de docent of stelt de docent een voorbeelduitwerking beschikbaar.
Wat doet de student?
- De student verdiept zich in het model en maakt een analyse van kernpunten en verbanden binnen het model.
- De student past vervolgens het model toe op een authentieke casus.
- De student schrijft een onderbouwd oordeel op de toepasbaarheid van het model op de authentieke casus. Hierbij geeft de student inzicht in de gezette denkstappen beoordeelt de toepasbaarheid van het model op de casus en onderbouwt diens oordeel. Hierbij geeft de student inzicht in diens denkstappen en overwegingen.
- De student levert het eindproduct in.
- Na afloop van de werkvorm bekijkt de student de ontvangen feedback en reflecteert op het leerproces.
Benodigheden
N.v.t.
Variatiemogelijkheden, tips en voorbeelden
- Synchroon onderwijsmoment/werken in groepen. In een synchroon onderwijsmoment kan de docent de opdracht geven om studenten in groepen een theoretisch model toe te laten passen op een specifieke casus. Vervolgens kunnen de groepen hun ervaringen aan elkaar presenteren. Dit kan met name interessant zijn om de waarde of praktische toepasbaarheid van een model inzichtelijk te maken.
- Peerfeedback. Studenten geven elkaar feedback. Hoe je dit organiseert lees je bij de werkvorm 'Peerfeedback organiseren'.
- Discussie toepasbaarheid theoretisch model. Een van de doelen is om de toepasbaarheid van het model te evalueren. Dit kan een student individueel doen, maar ook in dialoog met medestudenten. Door met elkaar samen te werken en in dialoog te treden, dient de student de eigen perceptie en kennis te expliceren en hoort ook percepties van medestudenten die mogelijk een andere of nieuwe insteek hebben.
- Formatieve toets. Omdat de student de theorie toepast, krijgt zowel de student als docent inzicht in hoeverre de theorie daadwerkelijk begrepen is en correct is toegepast.
Tips
- Eigen casus inbrengen. Als studenten de mogelijkheid krijgen om een casus uit hun eigen (werk)praktijk aan te dragen, is het belangrijk om richtlijnen op te stellen waar de casus aan moet voldoen. Dit zorgt voor structuur en zorgt ervoor dat de werkvorm effectief bijdraagt aan het leerproces.
- Structuur bieden. Om de student te ondersteunen tijdens deze opdracht, is het aan te raden om structuur te bieden. Dit kan gedaan worden door richtvragen, criteria of een script op te stellen die de student kan gebruiken bij het uitvoeren van de opdracht. Deze hulpmiddelen helpt de student om gerichter te werken en zorgt voor een effectieve en gestructureerde aanpak.
Toegankelijkheid
- Stimuleer de student de input te delen op een manier die het gemakkelijkst is: een video, audio-opname of presentatie kan een alternatief zijn voor een geschreven uitwerking.
- Geef naast een schriftelijke opdracht ook een auditieve instructie en vice versa. Zorg voor heldere en eenduidige beschrijvingen.
- Stel richtvragen, criteria of een script op om studenten structuur te bieden.
Bron
Radboud Universiteit & Radboudumc. (z.d.). Radboud Edit. Geraadpleegd op 4 mei 2023, van https://edit.radboudumc.nl/
Van Oosterzee, M., Stoekenbroek, R., Yilmazturk, E., & Heeroma, N. (2022). (rep.). Een verkenning op activerend onderwijs. Heerlen.