Docenthandleiding DLWO

Deconstructie van redeneringen

Aangepast op

Introductie

De naam zegt het al! Bij de werkvorm ‘deconstructie van redeneringen’ gaat de student met een kritische blik conclusies en argumenten (redeneringen) ontleden. De student doet een uitspraak over (evalueert) de kwaliteit/geldigheid van een redenering. Hiervoor maakt de student een zogeheten ‘argumentatie-map’ waarin de student de samengestelde argumentaties opbreekt en beoordeelt of er juiste verbanden worden getrokken. Optioneel gaan studenten aan de hand van deze werkvorm een (wetenschappelijk) debat voeren, waarin zij op elkaars redeneringen zullen schieten, maar ook van elkaar zullen leren. Deze werkvorm stimuleert de student tot kritisch denken en leert de student een wetenschappelijk debat te voeren.  

Opbrengst

Vanuit Bloom: Deze werkvorm doet met name een beroep op de niveaus analyseren en evalueren. Door de redenering te ontleden zullen studenten zich bewust worden van eventuele verbanden in de informatie. De student zal zich bewust worden van eventuele onjuistheden in de argumentatie en kan suggesties doen om tot een juiste conclusie of argumentatie te komen in de redenering. Doordat de student op dit niveau (actief) met de theorie aan de slag gaat zal de student de theorie ook beter onthouden, begrijpen en toepassen.  

Een andere opbrengst is dat de student kritisch leert na te denken, de kern uit informatie kan halen en leert tot een goede redenering te komen. Ook leert de student over specifieke discussies in het betreffende wetenschapsgebied en leert de student, meer algemeen, dat wetenschappelijke bevindingen niet haarfijn in elkaar aansluiten en er dus discussie is.  

In de variatie zullen studenten daarnaast met elkaar het debat aangaan. De student leert een wetenschappelijk debat te voeren: De student leert specifiek om argumenten en redenaties helder te communiceren en de student leert respectvol te reageren op reacties van de ander. De student leert daarnaast dat een wetenschappelijk debat niet enkel gaat om gelijk halen, maar dat het een verdiepende discussie is waar beide partijen van kunnen leren.  

Daarnaast kan de variatie op deze werkvorm bijdragen aan het stimuleren van gevoelens van binding tussen studenten onderling en tussen docent en studenten. Tijdens de bijeenkomst zullen studenten met elkaar samenwerken bij het voeren van het debat. Ook is de docent aanwezig, waardoor deze meer een gezicht krijgt in de cursus.  

Bij de variatie zal een jury, bestaande uit peers, en de docent het debat observeren en zullen zij feedback geven aan de spreker en de studenten die meewerken aan de argumentatie. Deze werkvorm biedt de docent dus mogelijkheid om de student te begeleiden en feedback te geven.

Wat doet de docent?

Voorafgaand aan de werkvorm:

  1. De docent bundelt informatie over hoe redeneringen zijn opgebouwd en wat er mis kan gaan. Hierin neemt de docent tenminste de volgende zaken op: 
    1. Waarom we als mens gevoelig zijn voor onjuiste redeneringen (abstract denken, biases in redeneringen, drogredenen (en welke vormen er zijn))
  2. De docent legt uit hoe de student een redenering ontleedt en evalueert. Dit bevat tenminste de volgende stappen:
    1. Reconstrueer de premissen en de conclusie: 
      Wat is de conclusie?
      Wat zijn de premissen?  
    2. Check de validiteit; volgt de conclusie uit de premissen?  
      Om welke vorm van logica gaat het (inductie, deductie, abductie of geen van allen)? Bij deductieve logica kan een argument weerlegd worden. Inductie en abductie laten ruimte voor foutieve conclusies.  
    3. Zijn er verborgen (impliciete) premissen? (zaken die niet direct in de redenering benoemd worden, maar wat men wel aanneemt).  
    4. Zit er ambiguïteit in de redenering? (zijn begrippen ruim te interpreteren?)  
    5. Kloppen de premissen wel? (fact checking).  
  3. Samen met verwerkingsopdrachten (bijvoorbeeld een zelftest waar de student de informatie toepast op casussen) stelt de docent deze informatie beschikbaar aan de student (in de online leeromgeving). Tip! Neem contact op met Marc van Duijn om te zien hoe hij dit in zijn cursus heeft uitgewerkt.  
  4. De docent zoekt thema’s uit in het betreffende vakgebied waar veel discussie over is. Over deze discussie zoekt de docent theorie en informatie op. Daarnaast stelt de docent een stelling op rondom het betreffende thema. De docent stelt een instructie op voor de student om een argument-map op te stellen de stelling. Deze opdracht en informatie stelt de docent aan de student beschikbaar in de online leeromgeving. Ook neemt de docent een Brightspace instuuropdracht op in de cursusstructuur zodat de student de opdracht in kan leveren.  
  5. De docent stelt beoordelingscriteria (richtvragen of een rubric) op voor het geven van feedback en eventueel beoordelen van de argument-maps.  

Tijdens de werkvorm:

  1. De docent is beschikbaar voor het bieden van ondersteuning en beantwoorden van vragen.  

Na afloop van de werkvorm: 

  1. De docent geeft feedback op de argument maps van de studenten.  
  2. De docent is beschikbaar voor vragen (over de gegeven feedback).  

Wat doet de student?

Voorafgaand aan de werkvorm:

  1. De student bestudeert de door de docent aangereikte informatie over de opbouw van redeneringen het ontleden ervan maakt de verwerkingsopdrachten. Optioneel stelt de student vragen over de informatie.  
  2. De student leest de instructie met betrekking tot het opstellen van een argument-map. De student bestudeert de stelling en door de docent aangereikte theorie en informatie over het thema dat centraal staat in de opdracht. Optioneel stelt de student vragen.  

Tijdens de werkvorm:

  1. De student ontleedt premissen uit de literatuur die de stelling kunnen onderbouwen. De student legt hierbij optionele oorzaak-gevolg relaties bij samengestelde redeneringen of beschrijft hoe argumenten van samengestelde redeneringen bij elkaar aansluiten.  
  2. Deze premissen met onderlinge relaties worden door de student opgenomen in de uiteindelijke argument map.  
  3. De student levert de uitwerking in de online leeromgeving in.

 Noot: een versimpelde weergave van een argument-map.

Na afloop van de werkvorm:

  1. De student bekijkt na afloop de ontvangen feedback en stelt optioneel vragen aan de docent over de ontvangen feedback. 

Benodigheden

  • Een goede microfoon is een pré (ook voor studenten).  

Variatiemogelijkheden, tips en voorbeelden

Variatie: Debat. In een synchroon onderwijsmoment wordt de groep (van maximaal twaalf studenten) studenten ingedeeld in een groep die voor de stelling is en een groep die tegen de stelling is. Beide groepen hebben 15 minuten de tijd om een pleidooi op te stellen. Hiervoor zullen de studenten wederom een kloppende argument-map moeten opstellen. Tijdens de eerste ronde van het debat, het pleidooi, zal de woordvoerder van de groep het pleidooi geven (+- 3 minuten). Na het pleidooi hebben beide student-teams 10 minuten voor bereidingstijd om een verweer te geven. De studenten zullen tijdens het pleidooi dus op moeten letten waar zwakke punten in de redenering van de andere partij zitten. Dit biedt input voor het verweer. Dit verweer bereiden de teams dus wederom voor (10 minuten). Hierna volgt weer een gespreksronde (verweer). Tot slot vindt de derde voorbereidingsronde plaats (10 minuten). Doel is om tot een conclusie te komen van het wetenschappelijk debat. Beide teams presenteren vervolgens hun conclusie (+- 3 minuten). Belangrijke taak van de docent is om bij aanvang van de sessie te verduidelijken dat het om een wetenschappelijke discussie gaat. Het doel is om van en met elkaar leren, een brug te bouwen en niet per definitie gelijk te halen. Optioneel is er een 3e rol tijdens dit debat: die van jury. Deze bestaat uit een groep studenten die niet deelneemt aan het debat, maar die het debat observeren en feedback geven aan de studenten (spraakstijl woordvoerder, ambiguïteit in argumenten, kwaliteit argumenten etc.).  

Variatie: Peer feedback op argument-map. Laat studenten elkaars argument-map beoordelen aan de hand van de opgestelde criteria. De student bekijkt hiermee of de map van een ander volledig is en klopt (volgt de ene stap logisch uit de andere?). Bij deze variatie wordt dus nogmaals een beroep gedaan op het kritisch denken.  

Voorbeeld uit de OU-praktijk: Deze werkvorm is toegepast in de cursus Evolutionaire psychologie van de faculteit Psychologie. Neem voor een kijkje in de keuken contact op met Marc van Duijn.  

Toegankelijkheid

  • Geef instructies duidelijk en beknopt en vermijd ingewikkelde zinnen.   
  • Gebruik geen moeilijke woorden of jargon als het niet nodig is. Als je ze moet gebruiken, zorg er dan voor dat je ze uitlegt.   
  • Duidelijke criteria of richtlijnen binnen de opdracht kunnen structuur bieden bij het maken van een argumentatie-map. Hierdoor kunnen studenten hun energie richten op de inhoud. Een student die behoefte heeft aan meer kaders/structuur is hierbij gebaat.  
  • Deze werkvorm is auditief en visueel ingesteld en minder geschikt voor studenten met problemen op het gebied van gehoor, spraak en zicht.  
  • Voor studenten met visuele beperkingen kan het helpend zijn dat gebruikte teksten uitvergroot kunnen worden.
  • Een belangrijke voorwaarde voor het oefenen met debatteren is veiligheid, zeker voor studenten met psychosociale problemen. De docent besteedt hier bij aanvang van de werkvorm aandacht aan, door verwachtingen en gedragsnormen te bespreken. De docent geeft tenminste aan wat het doel is van het debat, dat fouten gemaakt mogen worden en dat wat er tijdens het debat besproken wordt binnen de groep blijft.  
  • De docent biedt structuur aan de studenten die dit nodig hebben door een duidelijk programma te hanteren tijdens het debat. Tot slot bieden beoordelingscriteria of richtvragen structuur tijdens het observeren en geven van feedback.

Bron

Marc van Duijn, docent bij de faculteit Psychologie (evolutionaire psychologie).